Onbeschreven kan ook bevlekt zijn.
Dec. 1st, 2009 | 04:04 pm
Het is vandaag driehonderdzevenenzestig dagen geleden dat ik jou, of jij mij, of wij elkaar, voor het eerst kuste(n). Maar daar gaat het nu niet om. Mijn leven draait natuurlijk wel voor een groot deel om jou, maar ik durf het niet meer te beschrijven. Bang, dat ik mooie metaforen hergebruik en ze nog ergens op een verloren website, in een kwijtgeraakt notitieboekje of weggestopt wordbestand geschreven zijn, over iemand anders. De liefde is nooit schoon, de enige zin die er toe doet op deze door godvergeten blog. Natuurlijk is de liefde nooit schoon, hoe zou dat kunnen. Misschien wel bij die meisjes die ik vroeger zo vervloekte, die verliefd werden op de eerste jongen waar ze ooit mee zoenden, met hem neukten - maar dat noemen ze natuurlijk niet zo - om vervolgens voor de rest van hun leven bij hem te blijven. Mijn moeder is zo'n meisje. Is die liefde schoon? Een onbeschreven blad kan ook bevlekt zijn. Schrijven over de liefde doe ik dus niet meer. Eerst dacht ik dat het erg was, dat ik niet meer schreef. Dat die hele verdomde klotestudie, dat praktische van de Journalistiek, mijn creativiteit had verpest. Onzin. Journalistiek doe ik al tijden niet meer en nu probeer ik het wetenschappelijk schrijven over de knie te krijgen. Dat de wetenschap weinig ruimte overlaat over emoties en gevoelens was me al eerder duidelijk. Ik zal nooit wetenschappelijk kunnen bewijzen dat wat ik voel echt is. Er zal nooit een onderzoek zijn dat laat zien dat ik meer voor jou voel dan voor alle andere jongens. En eigenlijk hoeft dat ook helemaal niet. De drang om aan jou, of één van die andere jongens te bewijzen dat onze liefde echt en puur is, heb ik eigenlijk nergens voor nodig. Ik zal me moeten bewijzen op het gebied van studeren, dat de universiteit niet een te groot obstakel is, dat ik in staat ben mezelf financieel te kunnen onderhouden en dat ik dat hele leven waar iedereen het continu over heeft wel aan kan. Laten we daar eens mee gaan beginnen.
Link | Leave a comment {3} | Add to Memories | Share
(no subject)
May. 29th, 2009 | 03:50 am
En in de tijd dat ik niet oplette is elke jij een wij geworden. Een paar weken geleden nog, ik beweerde zo trots dat mijn vrienden niet zo zijn, daar niet mee bezig zijn en vandaag - we hebben een huisje samen, zij hebben volgende week een housewarming, die twee kopen een bankstel van dertienhonderd euro en zij houden zich bezig met gordijnen. Op de leuning ligt de rouwkaart van de vader van een vriend. Vanavond dronk ik bier met hem, zijn vriendinnetje en de rest, de in de haast opgetrommelde goede vrienden om de dood te vervloeken en wellicht het leven te vieren. Ik weet het niet zo goed. Misschien wordt om mij heen iedereen ook wel ouder, terwijl ik altijd dacht dat ik de oudste was en dus als eerste de grote beslissingen zou moeten nemen.
Een jaar geleden, we vierden de zomer en alweer het leven zonder iets om over na te denken. We waren samen in Berlijn, in Utrecht, we dronken, sliepen, gebruikten drugs en overdachten onze zondes en sliepen de katers uit in het gras, unemployed in summertime. De nazomer kwam en er gingen mensen dood. Met rosé champagne proostten we op ‘and one day we will die and our ashes will fly from the aeroplane over the sea, but for now we are young, let us lay in the sun, and count every beautiful thing we can see’, alsof we wisten dat er iets zou veranderen. Op de crematie van alweer een vader van alweer een vriend zei hij tegen me: ‘Wie zou de volgende zijn, die van jou of die van mij?’ Ze waren allebei ziek, onze vaders, en op dat moment namen we het allebei, in het algemeen, vrij luchtig op. Die dag hing de dood om ons heen, we huilden, knikten in het voorbijgaan en keken niet naar de kist, maar vooral naar hem, onze vriend, wie wij de komende tijd zouden moeten ondersteunen. Het werd zijn vader, niet de mijne. Die gedachte spookte vandaag de hele dag door mijn hoofd, terwijl de kaart me nog steeds aanstaart vanaf de bank.
‘Sometimes we know, sometimes we don’t
sometimes we give, sometimes we won’t
sometimes we’re strong, sometimes we’re wrong
sometimes we live, sometimes we die
sometimes we cry, sometimes we cry’ - Van morrison’,
lees ik hardop voor. Het is kwart voor vier, ik heb weer meer gedronken vanavond dan het plan was en betwijfel of ik binnenkort de grote stappen zal gaan nemen waar iedereen om mij heen zich wel mee bezig houdt. Ik studeer niet af, ik huur geen groter huis, ik maak rotzooi en weet mezelf nog perfect om de glazen in mijn kamer heen te manouvreren. En dan denk ik maar dat ik het leven leef, omdat je je toch ergens aan vast moet blijven houden.
Een jaar geleden, we vierden de zomer en alweer het leven zonder iets om over na te denken. We waren samen in Berlijn, in Utrecht, we dronken, sliepen, gebruikten drugs en overdachten onze zondes en sliepen de katers uit in het gras, unemployed in summertime. De nazomer kwam en er gingen mensen dood. Met rosé champagne proostten we op ‘and one day we will die and our ashes will fly from the aeroplane over the sea, but for now we are young, let us lay in the sun, and count every beautiful thing we can see’, alsof we wisten dat er iets zou veranderen. Op de crematie van alweer een vader van alweer een vriend zei hij tegen me: ‘Wie zou de volgende zijn, die van jou of die van mij?’ Ze waren allebei ziek, onze vaders, en op dat moment namen we het allebei, in het algemeen, vrij luchtig op. Die dag hing de dood om ons heen, we huilden, knikten in het voorbijgaan en keken niet naar de kist, maar vooral naar hem, onze vriend, wie wij de komende tijd zouden moeten ondersteunen. Het werd zijn vader, niet de mijne. Die gedachte spookte vandaag de hele dag door mijn hoofd, terwijl de kaart me nog steeds aanstaart vanaf de bank.
‘Sometimes we know, sometimes we don’t
sometimes we give, sometimes we won’t
sometimes we’re strong, sometimes we’re wrong
sometimes we live, sometimes we die
sometimes we cry, sometimes we cry’ - Van morrison’,
lees ik hardop voor. Het is kwart voor vier, ik heb weer meer gedronken vanavond dan het plan was en betwijfel of ik binnenkort de grote stappen zal gaan nemen waar iedereen om mij heen zich wel mee bezig houdt. Ik studeer niet af, ik huur geen groter huis, ik maak rotzooi en weet mezelf nog perfect om de glazen in mijn kamer heen te manouvreren. En dan denk ik maar dat ik het leven leef, omdat je je toch ergens aan vast moet blijven houden.
Link | Leave a comment {1} | Add to Memories | Share
Het is herfst;
Oct. 23rd, 2008 | 02:25 pm
'Een kastanje lijkt op een hart', zei ze, 'alleen zit er een vlekje op.'
'Op elk hart zit een vlekje.'
'Op elk hart zit een vlekje.'
Link | Leave a comment | Add to Memories | Share
All about Eve;
Sep. 14th, 2008 | 12:15 am
Eén van mijn lievelingsfilms kent een scène waarin een vrouwelijke bijrol vertelt hoe ze de hoofdrolspeelster leerde kennen. Ze liet de taxi wachten voor het theater, vanwege de regen. Snel vluchtte ze naar binnen via de zijingang. Daar stond het, in haar ogen, onschuldige meisje al op haar te wachten. Voor de eerste keer sprak ze haar aan.
Aan het einde van haar verhaal verlaat de vrouw, in het gezelschap van haar man, het theater en vraagt zich af, terwijl ze terugkijkt op die dag, waar ze heengingen die avond. ‘Grappig, hoe je bepaalde details altijd onthoudt en andere niet’, zegt ze. Alsof je weet wat er later belangrijk zal zijn.
We stonden in de keuken en ik had enkel mijn vieze spijkerbroek en een zwarte bh aan. Het was drie uur en we hadden beloofd om drie uur thuis te zijn. Toch wilden we eerst ontbijten. Ik brak eieren in een kom en zij schonk olie in de pan. ‘Papa krijgt maandag de uitslag’, zei ze. Ik keek opzij en zei dat ik dat wist. Ik pakte de garde uit de la en klutste de eieren los. ‘Ik heb een slecht voorgevoel’, ik hoorde het haar zeggen maar bleef kijken naar de kom en de stukgeslagen eieren. Na een korte stilte vroeg ik haar waarom ze dat nu tegen mij zei. ‘Omdat ik het er met niemand anders over hebben kan’, was haar antwoord.
Maandag krijgt papa de uitslag en ik heb een slecht voorgevoel. Tot nu toe heb ik dat niet uitgesproken en ook toen zij me precies hetzelfde zei, hield ik mijn mond. Ik ben een doemdenker en vraag me weleens af of dingen verkeerd gaan en ik daardoor steeds minder vertrouwen heb in een goede afloop, of dat ik zelf het einde bedenk door mijn gedachten. Ik ben bang. Bang dat je, als slecht mens, slechte dingen veroorzaakt. Dat je iets verdient en krediet opbouwt, levens krijgt en weer verliest, al was ik Mario en die ene die alles bepaalt elke vijand die je tegenkomt. Tegelijkertijd geloof ik geenszins in een god of een hogere macht, enkel wanneer er iets misgaat of ik iets in mijn schoot geworpen krijg waar ik eerder al op hoopte.
Ik heb vaak slechte gedachten en verzon vroeger gebeurtenissen voor mijn eigen gemak. Ik spijbelde van school en toen de conrector aan me vroeg waarom ik er niet was, zei ik dat de familieomstandigheden dat niet toelieten. Die middag belde mijn moeder me. Het was zo’n gebeurtenis waarvan je misschien al weet dat het belangrijk is om te onthouden waar je was, waar je stond en wie je bezorgd aankeek bij het horen veranderen van je stem. Ik stond voor de rechterdeur van de aula, bovenaan de trap en keek richting de gang van de toiletten, die doorloopt tot aan het handvaardigheidslokaal. Naast mij stond een vriendinnetje en we hadden net besproken wat we in ons tussenuur zouden gaan doen: wachten in de aula, wachten op het schoolplein, de skatebaan of de tijd vullen met het bekijken van etalages in het winkelcentrum? Ik hoorde mijn beltoon en graaide in mijn schoudertas, greep naast de boeken, de schriften, pennen, passers, sigaretten en portemonnee tot ik mijn blauwe Swing200 in mijn handen had. ‘Mama’, knipperde het display me tegemoet. Het gebeurde toen niet vaak dat je werd gebeld. Je haalde je ouders over tot het aanschaffen van een mobiele telefoon, ‘zodat je altijd overal bereikbaar was’. Dat leek toen nog een pré. Natuurlijk gebruikte je je beltegoed vooral om te sms’en met vriendinnen na schooltijd, want er kon zoveel gebeuren in een fietstocht van vijf minuten.
Ze vertelde me dat mijn opa ernstig ziek was. Of ik naar huis kon komen. In het korte gesprek hoorde ik iets over ziekenhuizen, fiets, oma, mijn zus, weg daar. Ondertussen bleef ik kijken naar de gang. Ik hing op en vertelde de steekwoorden die ik zelf opgevangen had. Liep richting mijn kluisje, pakte mijn jas en meldde me ziek. Dat was nooit een probleem, want de vrouw achter de balie keek me altijd meelevend aan en zei: ‘Ja kind, je ziet ook erg bleek’. Wist zij veel dat dit mijn normale huidskleur is.
Ik schrijf dit omdat mijn opa kanker had en doodging binnen een maand. Pas later besefte ik me wat ik die dag vertelde tegen de conrector en natuurlijk heb ik nooit gedacht dat ik zoiets veroorzaakt had. Wie zou ik zijn, om mezelf zoveel macht toe te kennen. Daarnaast bestond en bestaat er niet eens een god. En mocht dat wel zo zijn en hij werkelijk zou werken met krediet, is het de grootste klootzak die ik ken. Toch blijf ik het meisje dat altijd zal geloven in ‘everything happens for a reason’ en ik weet, dat dit niet de eerste keer is dat ik zoiets schrijf. Ik geloof in de romantische kant, ik geloof in lotsbestemmingen en toekomstdoelen, maar verfoei tegelijkertijd de uitgestippelde paden en lanen waar maar geen afslag te bekennen is. Misschien komt dit wel omdat ik niet anders kan dan denken in zwartwit. In mijn ogen gaat altijd alles goed of altijd finaal fout en zoals ik hierboven neerzette, schrijf ik dat dan altijd toe aan iets buiten mijn bereik. Een leven als een film noir lijkt me overigens ook wel wat.
Waarschijnlijker is, dat ik nog steeds geen verantwoordelijkheden durf te nemen voor mijn daden. Zoals ik vroeger loog over aanwezigheid bij lessen, wijt ik mislukkelingen nog steeds toe aan een ander of een ongelukkig toeval. Het succes dat ik boek, komt in mijn ogen nog sneller door de stand van de maan, dan door mijn eigen acties. Door een ongelukkig toeval heeft mijn vader die kankerkankercellen en dankzij het lot vergeet ik maandag niet te bellen en vertelt mijn moeder me maandag dat ze niet door zijn lichaam zwerven.
Aan het einde van haar verhaal verlaat de vrouw, in het gezelschap van haar man, het theater en vraagt zich af, terwijl ze terugkijkt op die dag, waar ze heengingen die avond. ‘Grappig, hoe je bepaalde details altijd onthoudt en andere niet’, zegt ze. Alsof je weet wat er later belangrijk zal zijn.
We stonden in de keuken en ik had enkel mijn vieze spijkerbroek en een zwarte bh aan. Het was drie uur en we hadden beloofd om drie uur thuis te zijn. Toch wilden we eerst ontbijten. Ik brak eieren in een kom en zij schonk olie in de pan. ‘Papa krijgt maandag de uitslag’, zei ze. Ik keek opzij en zei dat ik dat wist. Ik pakte de garde uit de la en klutste de eieren los. ‘Ik heb een slecht voorgevoel’, ik hoorde het haar zeggen maar bleef kijken naar de kom en de stukgeslagen eieren. Na een korte stilte vroeg ik haar waarom ze dat nu tegen mij zei. ‘Omdat ik het er met niemand anders over hebben kan’, was haar antwoord.
Maandag krijgt papa de uitslag en ik heb een slecht voorgevoel. Tot nu toe heb ik dat niet uitgesproken en ook toen zij me precies hetzelfde zei, hield ik mijn mond. Ik ben een doemdenker en vraag me weleens af of dingen verkeerd gaan en ik daardoor steeds minder vertrouwen heb in een goede afloop, of dat ik zelf het einde bedenk door mijn gedachten. Ik ben bang. Bang dat je, als slecht mens, slechte dingen veroorzaakt. Dat je iets verdient en krediet opbouwt, levens krijgt en weer verliest, al was ik Mario en die ene die alles bepaalt elke vijand die je tegenkomt. Tegelijkertijd geloof ik geenszins in een god of een hogere macht, enkel wanneer er iets misgaat of ik iets in mijn schoot geworpen krijg waar ik eerder al op hoopte.
Ik heb vaak slechte gedachten en verzon vroeger gebeurtenissen voor mijn eigen gemak. Ik spijbelde van school en toen de conrector aan me vroeg waarom ik er niet was, zei ik dat de familieomstandigheden dat niet toelieten. Die middag belde mijn moeder me. Het was zo’n gebeurtenis waarvan je misschien al weet dat het belangrijk is om te onthouden waar je was, waar je stond en wie je bezorgd aankeek bij het horen veranderen van je stem. Ik stond voor de rechterdeur van de aula, bovenaan de trap en keek richting de gang van de toiletten, die doorloopt tot aan het handvaardigheidslokaal. Naast mij stond een vriendinnetje en we hadden net besproken wat we in ons tussenuur zouden gaan doen: wachten in de aula, wachten op het schoolplein, de skatebaan of de tijd vullen met het bekijken van etalages in het winkelcentrum? Ik hoorde mijn beltoon en graaide in mijn schoudertas, greep naast de boeken, de schriften, pennen, passers, sigaretten en portemonnee tot ik mijn blauwe Swing200 in mijn handen had. ‘Mama’, knipperde het display me tegemoet. Het gebeurde toen niet vaak dat je werd gebeld. Je haalde je ouders over tot het aanschaffen van een mobiele telefoon, ‘zodat je altijd overal bereikbaar was’. Dat leek toen nog een pré. Natuurlijk gebruikte je je beltegoed vooral om te sms’en met vriendinnen na schooltijd, want er kon zoveel gebeuren in een fietstocht van vijf minuten.
Ze vertelde me dat mijn opa ernstig ziek was. Of ik naar huis kon komen. In het korte gesprek hoorde ik iets over ziekenhuizen, fiets, oma, mijn zus, weg daar. Ondertussen bleef ik kijken naar de gang. Ik hing op en vertelde de steekwoorden die ik zelf opgevangen had. Liep richting mijn kluisje, pakte mijn jas en meldde me ziek. Dat was nooit een probleem, want de vrouw achter de balie keek me altijd meelevend aan en zei: ‘Ja kind, je ziet ook erg bleek’. Wist zij veel dat dit mijn normale huidskleur is.
Ik schrijf dit omdat mijn opa kanker had en doodging binnen een maand. Pas later besefte ik me wat ik die dag vertelde tegen de conrector en natuurlijk heb ik nooit gedacht dat ik zoiets veroorzaakt had. Wie zou ik zijn, om mezelf zoveel macht toe te kennen. Daarnaast bestond en bestaat er niet eens een god. En mocht dat wel zo zijn en hij werkelijk zou werken met krediet, is het de grootste klootzak die ik ken. Toch blijf ik het meisje dat altijd zal geloven in ‘everything happens for a reason’ en ik weet, dat dit niet de eerste keer is dat ik zoiets schrijf. Ik geloof in de romantische kant, ik geloof in lotsbestemmingen en toekomstdoelen, maar verfoei tegelijkertijd de uitgestippelde paden en lanen waar maar geen afslag te bekennen is. Misschien komt dit wel omdat ik niet anders kan dan denken in zwartwit. In mijn ogen gaat altijd alles goed of altijd finaal fout en zoals ik hierboven neerzette, schrijf ik dat dan altijd toe aan iets buiten mijn bereik. Een leven als een film noir lijkt me overigens ook wel wat.
Waarschijnlijker is, dat ik nog steeds geen verantwoordelijkheden durf te nemen voor mijn daden. Zoals ik vroeger loog over aanwezigheid bij lessen, wijt ik mislukkelingen nog steeds toe aan een ander of een ongelukkig toeval. Het succes dat ik boek, komt in mijn ogen nog sneller door de stand van de maan, dan door mijn eigen acties. Door een ongelukkig toeval heeft mijn vader die kankerkankercellen en dankzij het lot vergeet ik maandag niet te bellen en vertelt mijn moeder me maandag dat ze niet door zijn lichaam zwerven.
Link | Leave a comment | Add to Memories | Share
(no subject)
Sep. 10th, 2008 | 05:22 pm
And I couldn’t help but wonder; een simpele, ongepolijste overpeinzing. Er is immers al te vaak te goed geschreven over verloren liefdes.
Het is verbazingwekkend, of misschien zelfs treurig, dat ik me nog steeds excuseer voor mijn leeftijd. Niet meer zoals eerst, toen ik er nog mijn voordeel mee kon doen - ‘Ik ben pas zeventien, wat weet ik nu van het leven, help mij, steun mij, red mij’ -, nu is het verworden tot ‘ik ben drieëntwintig, wat kan ik daar nu nog aan veranderen’. Ik hoor het je al zeggen, voor mij hoeft het allemaal niet meer, ik ben al oud, de nachten waren niet (meer) van jou, het stokje was al lang geleden doorgegeven aan een jongere generatie. Ik mag spreken van generatie, omdat jij al van een kloof mag spreken.
Wij mogen dat niet. Ik grapte zoals ik altijd grap, jij pakte mijn schouders en draaide me bij. ‘Maak er een probleem van en dan zal het een probleem blijven, of houd erover op’, zei jij. Ik grapte niet eens toen ik je vroeg of ik dat nu beslissen moest, maar jij glimlachte, aaide mijn bol en zei ‘natuurlijk niet’. The truth is, om mijn overpeinzingen eens als Carrie Bradshaw te laten klinken - er zijn immers premières, jurkjes en jongere mannen in het spel - dat er geen probleem zou zijn, wanneer ik daadwerkelijk iets voor je voelen zou.
Het is nog maar twee nachten geleden dat ik zijn rug herkende aan die door godvergeten blauwe polo, aan de sigaret in zijn hand die achteloos naar zijn mond bracht alsof hij voor niets anders gemaakt was en aan de haren in zijn nek, die meer krulden dan ik me kon herinneren. En ik wilde weg ik wilde blijven ik wilde groeten en negeren flink zijn en verstoppen. Bovenal wilde ik weten of het me iets zou deren wanneer hij jonger was. Vannacht, onder jouw dekens, terwijl jij mijn buik kriebelde en het kietelde maar ik er niets van zei omdat het toch niet vaker zou gebeuren, besloot ik van niet. Ook wist ik opeens zeker dat het waar was wat ik die nacht op de weg naar huis vanuit dramatisch oogpunt had gegild: ik ben nog niet over hem heen.
Op de middelbare school vroeg een vriendinnetje, dat eeuwig en altijd verliefd was op alle jongens uit de bovenbouw met de bijbehorende sores achteraf, hoe lang je verdrietig mocht zijn om een misgelopen liefde. Ik antwoordde dat je de helft van de duur van de relatie treuren mocht.
Hoe onwaarschijnlijk het ook klinken mag, ik hou van regels. Regels maken het leven overzichtelijk en gevoelens te controleren. Regels zorgen ervoor dat ik kan zeggen: nu is het genoeg geweest, ik ben klaar met jou en ons verleden, ons dossier, mag in de archiefkast om daar later, met een glimlach en een lichte zweem van weemoed, weer eens uitgehaald te worden. Maar ik stel wel mijn eigen regels op. De eerste keer dat ik hem zag, hij zat aan de drugs en zei tegen mij: ‘Ik heb een vriendin’. De camera klikte en precies zo lang bleef hij bij mij staan. Twee mensen, een meisje met een glas bier in haar hand en wat verdwaalde krullen voor haar ogen, een jongen met ogen, groter dan ik de zijne daarna ooit nog heb gezien. De tweede keer, een meisje met verdwaalde krullen en ogen even groot als alle andere keren dat ze aan de drugs zat en een jongen die haar overtuigd aankeek en riep: ‘Ik ken jou toch!’
Een jaar en wat maanden later, hij is mijn drugs en wanneer ik hem zie en hij mijn wangen kust, snuif ik zijn geur diep op om vooral maar in de roes te blijven. Volgens mijn regel zou hij aan het einde van dit jaar zijn moeten uitgewerkt, maar ik vrees het ergste. Ik ben nu eenmaal verslavingsgevoelig.
Het is verbazingwekkend, of misschien zelfs treurig, dat ik me nog steeds excuseer voor mijn leeftijd. Niet meer zoals eerst, toen ik er nog mijn voordeel mee kon doen - ‘Ik ben pas zeventien, wat weet ik nu van het leven, help mij, steun mij, red mij’ -, nu is het verworden tot ‘ik ben drieëntwintig, wat kan ik daar nu nog aan veranderen’. Ik hoor het je al zeggen, voor mij hoeft het allemaal niet meer, ik ben al oud, de nachten waren niet (meer) van jou, het stokje was al lang geleden doorgegeven aan een jongere generatie. Ik mag spreken van generatie, omdat jij al van een kloof mag spreken.
Wij mogen dat niet. Ik grapte zoals ik altijd grap, jij pakte mijn schouders en draaide me bij. ‘Maak er een probleem van en dan zal het een probleem blijven, of houd erover op’, zei jij. Ik grapte niet eens toen ik je vroeg of ik dat nu beslissen moest, maar jij glimlachte, aaide mijn bol en zei ‘natuurlijk niet’. The truth is, om mijn overpeinzingen eens als Carrie Bradshaw te laten klinken - er zijn immers premières, jurkjes en jongere mannen in het spel - dat er geen probleem zou zijn, wanneer ik daadwerkelijk iets voor je voelen zou.
Het is nog maar twee nachten geleden dat ik zijn rug herkende aan die door godvergeten blauwe polo, aan de sigaret in zijn hand die achteloos naar zijn mond bracht alsof hij voor niets anders gemaakt was en aan de haren in zijn nek, die meer krulden dan ik me kon herinneren. En ik wilde weg ik wilde blijven ik wilde groeten en negeren flink zijn en verstoppen. Bovenal wilde ik weten of het me iets zou deren wanneer hij jonger was. Vannacht, onder jouw dekens, terwijl jij mijn buik kriebelde en het kietelde maar ik er niets van zei omdat het toch niet vaker zou gebeuren, besloot ik van niet. Ook wist ik opeens zeker dat het waar was wat ik die nacht op de weg naar huis vanuit dramatisch oogpunt had gegild: ik ben nog niet over hem heen.
Op de middelbare school vroeg een vriendinnetje, dat eeuwig en altijd verliefd was op alle jongens uit de bovenbouw met de bijbehorende sores achteraf, hoe lang je verdrietig mocht zijn om een misgelopen liefde. Ik antwoordde dat je de helft van de duur van de relatie treuren mocht.
Hoe onwaarschijnlijk het ook klinken mag, ik hou van regels. Regels maken het leven overzichtelijk en gevoelens te controleren. Regels zorgen ervoor dat ik kan zeggen: nu is het genoeg geweest, ik ben klaar met jou en ons verleden, ons dossier, mag in de archiefkast om daar later, met een glimlach en een lichte zweem van weemoed, weer eens uitgehaald te worden. Maar ik stel wel mijn eigen regels op. De eerste keer dat ik hem zag, hij zat aan de drugs en zei tegen mij: ‘Ik heb een vriendin’. De camera klikte en precies zo lang bleef hij bij mij staan. Twee mensen, een meisje met een glas bier in haar hand en wat verdwaalde krullen voor haar ogen, een jongen met ogen, groter dan ik de zijne daarna ooit nog heb gezien. De tweede keer, een meisje met verdwaalde krullen en ogen even groot als alle andere keren dat ze aan de drugs zat en een jongen die haar overtuigd aankeek en riep: ‘Ik ken jou toch!’
Een jaar en wat maanden later, hij is mijn drugs en wanneer ik hem zie en hij mijn wangen kust, snuif ik zijn geur diep op om vooral maar in de roes te blijven. Volgens mijn regel zou hij aan het einde van dit jaar zijn moeten uitgewerkt, maar ik vrees het ergste. Ik ben nu eenmaal verslavingsgevoelig.
Link | Leave a comment {1} | Add to Memories | Share
Mijn reisgenoten haalden bagage uit de auto in de parkeergarage.
Aug. 21st, 2008 | 02:14 am
Ik wachtte boven en zat op een bankje voor het zoveelste mooie monumentale gebouw in Praag. Naast mij lag een zwerver, waar ik bijna op was gaan zitten. Net op tijd hoorde ik hem wat kreunen. Een man met een statief onder zijn arm en een camera om zijn nek stond tegenover me. Naast hem stond een vrouw. Ik had niet door of ze bij hem hoorde, want ze spraken niet. De man richtte zijn lens op mij en de verlichte achtergrond. Ik nam nog een trek van mijn sigaret.
Het was daar dat ik me bedacht dat ik misschien wat minder na moest denken. Iedereen denkt altijd zoveel over vanalles na. De één houdt zich bezig met het meisje waar hij een dag op wachtte, maar niet leek te komen. Een ander maakt zich druk over het in zijn ogen fascistische deurbeleid van een club. De gesprekken leken al dagenlang overal en nergens over te gaan: we hielden rapbattles in de metro, wezen de meisjes of jongens aan die de ander leuk zou vinden op het strand en bespraken het zenboeddhisme terwijl we cocktails dronken. We dronken veel cocktails die weken. Ik vroeg me vooral af waarom er niemand meer verliefd op mij wordt.
Mijn wederhelft had ons twee dagen geleden verlaten. Vier dagen eerder waren we in de auto gestapt, ik zat voorin en vertaalde de aanwijzingen van de Vlaamse Lucy voor de chauffeur. We zongen liedjes, maakten foto’s en overlegden alles wat we zouden willen doen bij aankomst in Berlijn. We zouden niets plannen, maar alles fantaseren. Ik ben vaak een beetje bang voor het woord plannen. Het stond op de verboden lijst, samen met terrasjes pakken, levensgenieters en mijn fascinatie voor het woord poeier, wanneer ik het over waspoeder of coke had. Elke avond fantaseerden we de volgende dag en elke dag hielden we ons keurig aan de fantasie.
Haar vertrek en alle misgelopen fantasieën zorgden voor meer gespreksstof en meer bedenkingen. Soms overdacht ik zelfs mijn leven, zo onder de dekens in het hostel waar altijd iemand leek te slapen. Een enkele keer nam ik me voor te veranderen, maar wist ik voordat ik in slaapviel al, dat ik me er niet aan houden zou. Wat een verschil met vroeger, toen ik elke avond in bed een lijstje in mijn hoofd maakte met alles wat ik vanaf morgen anders zou doen. ‘s Ochtends versliep ik me dan, door mijn overpeinzingen en kopzorgen die me het in slaap vallen hadden belet. De dag was dan verpest, maar morgen zou ik het allemaal anders doen.
Het is de stad waarin ik nooit zou kunnen wonen. Nooit is er rust. In mijn vertrouwde kleine grachtenstad krijg ik het voor elkaar om bijna elke avond een café uitgezet te worden, omdat de laatste ronde al een uur geleden geroepen werd. Daar is geen laatste ronde, het gaat maar door en door en door en
ik zou nooit stoppen. Nooit meer slapen. Doorhalen drinken feesten geld uitgeven praten het leven zo hard leven dat ik geleefd zou worden.
Voor even is het daar fijner dan ergens anders. Het is fijn dat er geen rust is. Je hoeft niet na te denken en als je dat onverhoopt toch doet, praat je Duits tegen een vreemde en in het Duits vind ik het verdomd moeilijk om mijn gedachten uit te moeten spreken.
Toch werd me verweten dat ik altijd over alles nadenk. Ik vraag me af, of me dat ook gezegd zou worden als ik een positievere levensinstelling zou hebben. Waarom zou je iemand die alles wat mooi is benoemt, ooit zeggen dat hij of zij daarmee zou moeten stoppen.
De man hing de camera weer om zijn nek en pakte zijn statief op. De vrouw keek hem aan en liep een paar stappen achter hem in dezelfde richting. De zwerver kreeg gezelschap van een andere dakloze man en probeerde rechtop te gaan zitten op het bankje. Ik zag mijn vrienden de trap opkomen. Ik wist dat er één zou gaan zeggen: ‘Gezellig hier’, wijzend op de twee mannen.
We liepen verder langs het water. Deze stad was veel te mooi, te gepolijst. Niets vergeleken met het rauwe van een stad die zoveel meegemaakt heeft en daar kracht van heeft gekregen. ‘Wat me niet breekt, maakt me sterker’. Op een boot speelden twee mannen covers. De één zong vals terwijl de ander hem tevergeefs bij probeerde te staan met een keyboard. We lachten wat en stonden stil. ‘But I still haven’t found, what I’m looking for’. Hij zong het zonder overtuiging en toch bleef die zin de hele wandeling lang in mijn hoofd hangen. Waarom weet ik niet precies. Misschien wel omdat ik nooit de koningin van de rapbattles zal worden, ik niemand op het strand leuk genoeg vond en niet geschikt ben voor het zenboeddhisme. Maar ook niet weet waar ik terecht zal komen, bij wie, bij wat of waar en of er ooit iets in zal zijn waar ik vurig in geloven zal.
Het was daar dat ik me bedacht dat ik misschien wat minder na moest denken. Iedereen denkt altijd zoveel over vanalles na. De één houdt zich bezig met het meisje waar hij een dag op wachtte, maar niet leek te komen. Een ander maakt zich druk over het in zijn ogen fascistische deurbeleid van een club. De gesprekken leken al dagenlang overal en nergens over te gaan: we hielden rapbattles in de metro, wezen de meisjes of jongens aan die de ander leuk zou vinden op het strand en bespraken het zenboeddhisme terwijl we cocktails dronken. We dronken veel cocktails die weken. Ik vroeg me vooral af waarom er niemand meer verliefd op mij wordt.
Mijn wederhelft had ons twee dagen geleden verlaten. Vier dagen eerder waren we in de auto gestapt, ik zat voorin en vertaalde de aanwijzingen van de Vlaamse Lucy voor de chauffeur. We zongen liedjes, maakten foto’s en overlegden alles wat we zouden willen doen bij aankomst in Berlijn. We zouden niets plannen, maar alles fantaseren. Ik ben vaak een beetje bang voor het woord plannen. Het stond op de verboden lijst, samen met terrasjes pakken, levensgenieters en mijn fascinatie voor het woord poeier, wanneer ik het over waspoeder of coke had. Elke avond fantaseerden we de volgende dag en elke dag hielden we ons keurig aan de fantasie.
Haar vertrek en alle misgelopen fantasieën zorgden voor meer gespreksstof en meer bedenkingen. Soms overdacht ik zelfs mijn leven, zo onder de dekens in het hostel waar altijd iemand leek te slapen. Een enkele keer nam ik me voor te veranderen, maar wist ik voordat ik in slaapviel al, dat ik me er niet aan houden zou. Wat een verschil met vroeger, toen ik elke avond in bed een lijstje in mijn hoofd maakte met alles wat ik vanaf morgen anders zou doen. ‘s Ochtends versliep ik me dan, door mijn overpeinzingen en kopzorgen die me het in slaap vallen hadden belet. De dag was dan verpest, maar morgen zou ik het allemaal anders doen.
Het is de stad waarin ik nooit zou kunnen wonen. Nooit is er rust. In mijn vertrouwde kleine grachtenstad krijg ik het voor elkaar om bijna elke avond een café uitgezet te worden, omdat de laatste ronde al een uur geleden geroepen werd. Daar is geen laatste ronde, het gaat maar door en door en door en
ik zou nooit stoppen. Nooit meer slapen. Doorhalen drinken feesten geld uitgeven praten het leven zo hard leven dat ik geleefd zou worden.
Voor even is het daar fijner dan ergens anders. Het is fijn dat er geen rust is. Je hoeft niet na te denken en als je dat onverhoopt toch doet, praat je Duits tegen een vreemde en in het Duits vind ik het verdomd moeilijk om mijn gedachten uit te moeten spreken.
Toch werd me verweten dat ik altijd over alles nadenk. Ik vraag me af, of me dat ook gezegd zou worden als ik een positievere levensinstelling zou hebben. Waarom zou je iemand die alles wat mooi is benoemt, ooit zeggen dat hij of zij daarmee zou moeten stoppen.
De man hing de camera weer om zijn nek en pakte zijn statief op. De vrouw keek hem aan en liep een paar stappen achter hem in dezelfde richting. De zwerver kreeg gezelschap van een andere dakloze man en probeerde rechtop te gaan zitten op het bankje. Ik zag mijn vrienden de trap opkomen. Ik wist dat er één zou gaan zeggen: ‘Gezellig hier’, wijzend op de twee mannen.
We liepen verder langs het water. Deze stad was veel te mooi, te gepolijst. Niets vergeleken met het rauwe van een stad die zoveel meegemaakt heeft en daar kracht van heeft gekregen. ‘Wat me niet breekt, maakt me sterker’. Op een boot speelden twee mannen covers. De één zong vals terwijl de ander hem tevergeefs bij probeerde te staan met een keyboard. We lachten wat en stonden stil. ‘But I still haven’t found, what I’m looking for’. Hij zong het zonder overtuiging en toch bleef die zin de hele wandeling lang in mijn hoofd hangen. Waarom weet ik niet precies. Misschien wel omdat ik nooit de koningin van de rapbattles zal worden, ik niemand op het strand leuk genoeg vond en niet geschikt ben voor het zenboeddhisme. Maar ook niet weet waar ik terecht zal komen, bij wie, bij wat of waar en of er ooit iets in zal zijn waar ik vurig in geloven zal.
Link | Leave a comment | Add to Memories | Share
De bewaker kwam naar me toe.
Jul. 29th, 2008 | 03:05 am
Ik veegde het stof aan mijn handen af aan mijn zwarte rokje. ‘Wat deed je daar?’, vroeg hij. Door alle drugs en alcohol in mijn lijf deed ik iets wat ik anders nooit zou doen: ik was eerlijk. ‘Zitten.’ Hij liet me gaan. Ik stak mijn laatste sigaret op en slenterde alleen over het perron naar de stationshal, waar het geroezemoes van het normale leven alweer was begonnen. Er rolden koffers voorbij, reizigers keken naar de borden met vertrekkende treinen en ik stond stil. Zoals ik dat wel vaker doe.
Bijna had ik me voorgesteld als Minne, maar net op tijd bedacht ik me dat die naam in deze stad niet geldt. Ik zei mijn echte naam en liet mensen geloven jouw vriendinnetje te zijn. Jij aaide mijn glimmende wang, mijn verwarde krullen die nog niet bekomen waren van het weekend en een dag werken en ik voelde me lelijk. Hij stond naast de bar, zoals hij altijd naast de bar heeft gestaan - ooit zei een jongen tegen me, ‘ik dacht al dat ik je hier kon vinden’ en mijn baas antwoordde, ‘waar had ze anders moeten zijn’ en jij bent immers hetzelfde - en knikte me toe. Ik knikte terug en hij gooide zijn hoofd in zijn nek en lachte. Wij knikken namelijk niet naar elkaar, wij draaien rondjes samen op de schaatsbaan terwijl ik niet schaatsen kan maar wel met jou, wij doen alsof we elkaar ijsjes voeren maar duwen dan stiekem en snel het ijsje tegen elkaars neus, wij rijden ‘s nachts samen weg met de auto terwijl ik weet dat jij gedronken hebt en jij weet dat ik daar niets over zeggen zal en daarom niet eens je best doet om nuchter over te komen. Met grote stappen liep hij mijn kant op en met kleine muizenstapjes deed ik pogingen om weg te komen. Ik was te laat. Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor. ‘Joost.’ Ik kon er niet om lachen en keek naar jou want ik zag dat jij had gezien dat hij naar mij toe kwam en zich voor wilde stellen en ik wist dat jouw avond daar niet beter van zou worden. ik knikte je toe en jij knipoogde terug. ‘Hoi’, zei ik, ‘dat is lang geleden.’ Hij gaf geen antwoord maar vroeg me sinds wanneer ik bier dronk. Ik gaf geen antwoord maar vroeg hem hoe het was. Onder geen beding zou ik toegeven dat ik hem al langer kende, dat hij en ik een geschiedenis hadden ooit een wij waren ooit ruzie zochten totdat ik zijn schoenen uit het raam gooide hij mij een klap wilde verkopen maar op tijd bedacht dat hij geen meisjes wilde slaan en ik hem dan uitdaagde net zo lang totdat hij me wel omver moest duwen. ‘Mag ik je nummer’, zei hij. Het was geen vraag. Ik noemde een reeks getallen op en verdomd, ze klopten ook en ik wist niet of ik me daar schuldig over voelen moest. Snel sloeg hij het nummer op en ik slikte mijn naam in want jij liep onze kant op. Toen raakten de jij en hij door de war, zoals ze altijd al hebben gedaan. Ik wist niet meer bij wie ik nou hoorde, bij wie ik nooit gehoord had en wie z’n kant ik in godsnaam kiezen moest. Ik bleef maar in het midden staan. ‘Dit lijkt wel op vroeger’, zei jij. ‘Alleen blijf je deze keer van mijn vriendinnetje af.’
Ik wilde uitleg over die opmerking en liep daarom achter je aan naar buiten, me niet beseffend dat ik opeens een kant gekozen had. Ik liep het hele eind achter je aan naar huis en voor de deur schudde je me door elkaar. ‘Niet doen’, zei jij. Ik beloofde het.
‘s Ochtends werd ik wakker in jouw bed met mijn kleren nog aan en zodra jij ontwaakt was trok je mijn kledingstukken één voor één uit. Ik liet je begaan. Naakt lag ik in het felle licht omdat we de gordijnen nooit dicht hadden gedaan. Naakt lag ik zonder de dekens die we nooit over ons heen hadden getrokken, omdat het in Rotterdam nog steeds niet geregend had. Daar neukten we, bedreven we de liefde of noem het godverdomme maar zoals je het noemen wilt, het was fijn en het was naar het was oprecht het was een leugen het was zoals het altijd was geweest het was nieuw en anders en het was vol met tegenstellingen want ik dacht wel aan jou maar ook aan hem en ik dacht aan de mannen van weleer en ik dacht aan geslachtsziektes en aan condooms en ik dacht aan jouw leven en dat van mij en waarom je eigenlijk weg wilde gaan die avond en ik dacht vooral aan jaloezie en liefde. Ik vertrok in een rode boxershort die volgens jou altijd al van mij geweest was maar die ik nergens van herkende. Mijn jurkje hing om mijn lichaam heen en elk model leek te zijn verdwenen. Mijn haar hing langs mijn gezicht naar beneden en elk model leek te zijn verdwenen. Misschien was dit wel de laatste keer en was het tijd om met iets nieuws te beginnen. Misschien was dit wel de eerste keer van een nieuw begin. Ik trok in ieder geval de deur achter me dicht en was pas weggegaan toen ook jij wakker was. Dat hadden we sowieso nog niet eerder meegemaakt.
Bijna had ik me voorgesteld als Minne, maar net op tijd bedacht ik me dat die naam in deze stad niet geldt. Ik zei mijn echte naam en liet mensen geloven jouw vriendinnetje te zijn. Jij aaide mijn glimmende wang, mijn verwarde krullen die nog niet bekomen waren van het weekend en een dag werken en ik voelde me lelijk. Hij stond naast de bar, zoals hij altijd naast de bar heeft gestaan - ooit zei een jongen tegen me, ‘ik dacht al dat ik je hier kon vinden’ en mijn baas antwoordde, ‘waar had ze anders moeten zijn’ en jij bent immers hetzelfde - en knikte me toe. Ik knikte terug en hij gooide zijn hoofd in zijn nek en lachte. Wij knikken namelijk niet naar elkaar, wij draaien rondjes samen op de schaatsbaan terwijl ik niet schaatsen kan maar wel met jou, wij doen alsof we elkaar ijsjes voeren maar duwen dan stiekem en snel het ijsje tegen elkaars neus, wij rijden ‘s nachts samen weg met de auto terwijl ik weet dat jij gedronken hebt en jij weet dat ik daar niets over zeggen zal en daarom niet eens je best doet om nuchter over te komen. Met grote stappen liep hij mijn kant op en met kleine muizenstapjes deed ik pogingen om weg te komen. Ik was te laat. Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor. ‘Joost.’ Ik kon er niet om lachen en keek naar jou want ik zag dat jij had gezien dat hij naar mij toe kwam en zich voor wilde stellen en ik wist dat jouw avond daar niet beter van zou worden. ik knikte je toe en jij knipoogde terug. ‘Hoi’, zei ik, ‘dat is lang geleden.’ Hij gaf geen antwoord maar vroeg me sinds wanneer ik bier dronk. Ik gaf geen antwoord maar vroeg hem hoe het was. Onder geen beding zou ik toegeven dat ik hem al langer kende, dat hij en ik een geschiedenis hadden ooit een wij waren ooit ruzie zochten totdat ik zijn schoenen uit het raam gooide hij mij een klap wilde verkopen maar op tijd bedacht dat hij geen meisjes wilde slaan en ik hem dan uitdaagde net zo lang totdat hij me wel omver moest duwen. ‘Mag ik je nummer’, zei hij. Het was geen vraag. Ik noemde een reeks getallen op en verdomd, ze klopten ook en ik wist niet of ik me daar schuldig over voelen moest. Snel sloeg hij het nummer op en ik slikte mijn naam in want jij liep onze kant op. Toen raakten de jij en hij door de war, zoals ze altijd al hebben gedaan. Ik wist niet meer bij wie ik nou hoorde, bij wie ik nooit gehoord had en wie z’n kant ik in godsnaam kiezen moest. Ik bleef maar in het midden staan. ‘Dit lijkt wel op vroeger’, zei jij. ‘Alleen blijf je deze keer van mijn vriendinnetje af.’
Ik wilde uitleg over die opmerking en liep daarom achter je aan naar buiten, me niet beseffend dat ik opeens een kant gekozen had. Ik liep het hele eind achter je aan naar huis en voor de deur schudde je me door elkaar. ‘Niet doen’, zei jij. Ik beloofde het.
‘s Ochtends werd ik wakker in jouw bed met mijn kleren nog aan en zodra jij ontwaakt was trok je mijn kledingstukken één voor één uit. Ik liet je begaan. Naakt lag ik in het felle licht omdat we de gordijnen nooit dicht hadden gedaan. Naakt lag ik zonder de dekens die we nooit over ons heen hadden getrokken, omdat het in Rotterdam nog steeds niet geregend had. Daar neukten we, bedreven we de liefde of noem het godverdomme maar zoals je het noemen wilt, het was fijn en het was naar het was oprecht het was een leugen het was zoals het altijd was geweest het was nieuw en anders en het was vol met tegenstellingen want ik dacht wel aan jou maar ook aan hem en ik dacht aan de mannen van weleer en ik dacht aan geslachtsziektes en aan condooms en ik dacht aan jouw leven en dat van mij en waarom je eigenlijk weg wilde gaan die avond en ik dacht vooral aan jaloezie en liefde. Ik vertrok in een rode boxershort die volgens jou altijd al van mij geweest was maar die ik nergens van herkende. Mijn jurkje hing om mijn lichaam heen en elk model leek te zijn verdwenen. Mijn haar hing langs mijn gezicht naar beneden en elk model leek te zijn verdwenen. Misschien was dit wel de laatste keer en was het tijd om met iets nieuws te beginnen. Misschien was dit wel de eerste keer van een nieuw begin. Ik trok in ieder geval de deur achter me dicht en was pas weggegaan toen ook jij wakker was. Dat hadden we sowieso nog niet eerder meegemaakt.
Link | Leave a comment | Add to Memories | Share
Verveling
Jul. 16th, 2008 | 02:56 am
‘Ik denk dat je belangrijk voor me bent’. Op het moment dat ik op verzenden druk, heb ik alweer spijt. Niet omdat ik niet wil dat er mensen belangrijk voor me zijn. Integendeel, ik zou zo graag wat meer geven om de mensen waarmee ik mij omring. Alleen ga ik me al zo snel, nadat ik heb toegegeven dat ik aan iemand denk en om iemand geef, me irriteren aan de kleinste eigenschappen van die persoon. En we moeten nog een week samen slapen in een tent.
Soms vraag ik me weleens af hoe het zou zijn als ik verliefd op jou zou zijn, of jij op mij. Of we elkaar echt zo gek zouden maken als dat ik weleens denk, zoals jij weleens denkt of zoals de rest continu denkt. Alleen maar steken, prikken, elkaar pakken op verkeerd begrepen woorden of een slechte woordkeuze. Of ik dan nog steeds zou kunnen glimlachen om je altijd opgeruimde kamer en het feit dat je water kookt om een zojuist gebruikte ovenschaal mee schoon te maken. Ik zou diezelfde schaal drie, of misschien wel acht dagen laten staan. Ik laat bloemen in een vaas verwelken en verdrogen tot alle blaadjes op de grond liggen. Aan stofzuigen heb ik een hekel en ik heb ooit een kaars weg laten smelten op mijn verwarming, toen ik hier een week woonde. Het paarse kaarsvet zit nog steeds op de vloer onder de verwarming.
Ik rookte weer een sigaret in de regen en draaide een pirouette. Ik werd er duizelig van. Bij ballet leer je één belangrijke les, die je voor eeuwig in je leven zou moeten onthouden: focus je op één punt tijdens het ronddraaien. Hier had ik altijd moeite mee. Ik keek naar de lerares, die alvast keek of haar nagels scherp genoeg waren, om ze later in de rug van een meisje te kunnen duwen wanneer ze niet rechtop genoeg stond. Ik zag meisjes die veel dunner waren dan ik was. Mijn ogen gleden langs de barre aan de wand, waar ik net nog mijn pliés had geoefend en mijn knieën niet ver genoeg gebogen waren. En ik keek naar mijn voeten, naar mijn spitzen, die nooit lichtvoetig genoeg bewogen naar mijn mening. Nog steeds kan ik me niet concentreren op één punt. Of het nu iets tastbaars is als een raamkozijn waar ik me op moet focussen, of een tentamen, een enkele man in mijn leven, iets waarvoor ik moet sparen: er gebeurt teveel, alles vraagt mijn aandacht. En ik ben in niets slechter dan in mijn aandacht verdelen over meerdere mensen.
Ik ben geen goede vriendin. Voor even vind ik het fijn om veel met iemand samen te zijn, klamp ik me vast aan die persoon en wil ik alles van hem of haar weten. We eten samen, praten over alles en drinken ‘s avonds in café’s en fietsen dezelfde weg naar huis. ‘s Ochtends bellen we elkaar voor koffie en nooit raken we uitgepraat. Maar op een gegeven moment begin ik me te vervelen. Te ergeren aan de manier waarop iemand vraagt hoe het met me gaat of de overeenkomsten in muzieksmaak. Ik raak mezelf kwijt. Het is zo moeilijk om zelf al niet te weten wie of wat je persoonlijkheid maakt en dan ook het idee te hebben dat iemand anders eigenlijk precies hetzelfde is. Je neemt afstand, zoekt het ergens anders maar hebt overal hetzelfde probleem en mensen twijfelen aan je liefde. Denken als je je telefoon niet opneemt, dat je ze zat bent. En eigenlijk is dat ook altijd zo.
Soms vraag ik me weleens af hoe het zou zijn als ik verliefd op jou zou zijn, of jij op mij. Of we elkaar echt zo gek zouden maken als dat ik weleens denk, zoals jij weleens denkt of zoals de rest continu denkt. Alleen maar steken, prikken, elkaar pakken op verkeerd begrepen woorden of een slechte woordkeuze. Of ik dan nog steeds zou kunnen glimlachen om je altijd opgeruimde kamer en het feit dat je water kookt om een zojuist gebruikte ovenschaal mee schoon te maken. Ik zou diezelfde schaal drie, of misschien wel acht dagen laten staan. Ik laat bloemen in een vaas verwelken en verdrogen tot alle blaadjes op de grond liggen. Aan stofzuigen heb ik een hekel en ik heb ooit een kaars weg laten smelten op mijn verwarming, toen ik hier een week woonde. Het paarse kaarsvet zit nog steeds op de vloer onder de verwarming.
Ik rookte weer een sigaret in de regen en draaide een pirouette. Ik werd er duizelig van. Bij ballet leer je één belangrijke les, die je voor eeuwig in je leven zou moeten onthouden: focus je op één punt tijdens het ronddraaien. Hier had ik altijd moeite mee. Ik keek naar de lerares, die alvast keek of haar nagels scherp genoeg waren, om ze later in de rug van een meisje te kunnen duwen wanneer ze niet rechtop genoeg stond. Ik zag meisjes die veel dunner waren dan ik was. Mijn ogen gleden langs de barre aan de wand, waar ik net nog mijn pliés had geoefend en mijn knieën niet ver genoeg gebogen waren. En ik keek naar mijn voeten, naar mijn spitzen, die nooit lichtvoetig genoeg bewogen naar mijn mening. Nog steeds kan ik me niet concentreren op één punt. Of het nu iets tastbaars is als een raamkozijn waar ik me op moet focussen, of een tentamen, een enkele man in mijn leven, iets waarvoor ik moet sparen: er gebeurt teveel, alles vraagt mijn aandacht. En ik ben in niets slechter dan in mijn aandacht verdelen over meerdere mensen.
Ik ben geen goede vriendin. Voor even vind ik het fijn om veel met iemand samen te zijn, klamp ik me vast aan die persoon en wil ik alles van hem of haar weten. We eten samen, praten over alles en drinken ‘s avonds in café’s en fietsen dezelfde weg naar huis. ‘s Ochtends bellen we elkaar voor koffie en nooit raken we uitgepraat. Maar op een gegeven moment begin ik me te vervelen. Te ergeren aan de manier waarop iemand vraagt hoe het met me gaat of de overeenkomsten in muzieksmaak. Ik raak mezelf kwijt. Het is zo moeilijk om zelf al niet te weten wie of wat je persoonlijkheid maakt en dan ook het idee te hebben dat iemand anders eigenlijk precies hetzelfde is. Je neemt afstand, zoekt het ergens anders maar hebt overal hetzelfde probleem en mensen twijfelen aan je liefde. Denken als je je telefoon niet opneemt, dat je ze zat bent. En eigenlijk is dat ook altijd zo.
Link | Leave a comment | Add to Memories | Share
Persoonlijk.
Jul. 14th, 2008 | 07:04 pm
Omdat Minne niet alles beleven kan.
Tobias en ik drinken koffie in Rotterdam. Het is vijf over half drie en de tijd is belangrijk, omdat in de werkelijkheid alles feitelijk om tijd draait. Ik was vijf minuten te laat en hij wachtte op het terras. Niets tussen ons is onpersoonlijk. Wat ik drink of hoe ik rook, hij leest er mijn verslavingen aan af. Hoe hij een klontje suiker oplost in zijn koffie, hoe geconcentreerd hij naar het lepeltje kijkt. Ik hou niet van mannen die suiker in hun koffie drinken. Gelukkig bestelde hij geen koffie verkeerd.
In Rotterdam vindt alles plaats op de plek waar het gebeurt. In Utrecht verander ik plekken. Lepelenburg wordt Wilhelminapark en gesprekken die plaatsvinden op de straat voor de Bastaard, beschrijf ik als buiten bij de Poort.
Ik heb vaak geprobeerd om over Tobias te schrijven. Geen enkele naam die ik verzon, of opzocht op internetsites met jongensnamen, paste bij hem. En ik kon Minne niet zijn, want Minne en Tobias zullen nooit met elkaar kunnen praten. Tobias en ik trouwens ook niet.
Wij zijn nooit een hem en haar, maar blijven voor eeuwig de hij en ik. Ik weet nooit wat ik tegen hem zeggen moet, omdat ik zoveel verander en hij hetzelfde blijft, of omdat hij zoveel verandert en ik altijd hetzelfde blijf.
Ik kijk hem aan terwijl ik een slok koffie neem. Er druppelt wat van mijn mok af op mijn schoot en hij glimlacht. Ik probeer hem een vernietigende blik toe te werpen, maar faal jammerlijk. Ik zeg dat ik ben gestopt met mijn studie en direct daarna dat het niet waar is. ‘Dat dacht ik al’. We drinken bij Bagels&Beans omdat ik een trui in de uitverkoop paste van Daryl van Wouw en weer terughing. Hij zei dat hij in de bibliotheek was maar zijn fiets staat ergens anders. Ik denk er verder niet over na.
Op de fiets ben ik nog steeds, of misschien wel helemaal mijzelf. Ik neem bochten zonder af te remmen, omdat ik ze beter ken dan de weg naar mijn kamer in Utrecht. Ik slalom om de afgebroken witte strepen heen en buig voorover om sneller tegen de wind in te gaan. Bij de laatste bocht kijk ik niet achter me om te zien of er een auto aan komt. Die komt er immers nooit. Eenmaal ging ik de fout in en mijn vader vroeg me later waarom ik dat deed. Ik weet niet meer wat ik toen zei. Ik weet ook niet wanneer ik besloot dat niets wat ik meemaak door mij beleefd wordt. Waarom ik iemand anders verzon die spitsvondige opmerkingen maakte tegen mannen met andere namen, die naar feestjes ging waar ik zelf nooit heen had willen gaan of die niet naar tentamens ging die ik wel had willen maken. Misschien is het leven makkelijker zo. Het is ook altijd makkelijker om iemand anders zijn kamer op te ruimen. In je eigen kamer kom je foto’s van vakanties tegen, kledingstukken die je kocht van je eerste kleedgeld, cd’s die je luisterde toen je vijftien was. Vervolgens zet je de cd’s op en dans je door je kamer met een te klein rokje aan. Je kijkt in de spiegel en de uren die je besteedt aan het schoonmaken vallen in het niet bij de jaren die verstreken zijn.
Om mijn hoofd gemakkelijker te kunnen ordenen, om de gebeurtenissen en beelden beter te kunnen archiveren. Bij een ander stop je foto’s in een grote doos en schrijf je er vervolgens ‘leven’ op. Geen indelingen in jaren, in vriendschappen of schoolklassen.
Vroeger zag ik in mijn hoofd ook een grote archiefkast, zoals mijn ouders die in het kantoor hadden staan. Naast die door mijzelf verzonnen kast lagen grote stapels mappen, die ik nog moest indelen op soort, om daarna een plek te geven. Al snel had ik het idee dat ik daar jaren mee bezig zou zijn. Waar stopte ik vriendinnen van weleer, schoolfeesten, of de eerste keer dat ik dronken werd? Mijn lievelingstrui met wolken op de eerste dag van de basisschool, onze overleden hond of de verhuizing: misschien had ik wel niets van wat er ooit gebeurd was in mijn leven, een plek gegeven.
En nu is daar Minne, zoals daar eerst alle andere namen waren die ik zelf bedacht had.
Ik bedacht de naam Minne ooit als naam voor een ongeboren kind. Minne betekent Liefde, van Minne kun je minkozen maken, of beminnen, Minne rijmt op Suikerspinne. Aan Minne schreef ik ooit een brief, waarin ik al schreef dat er misschien nooit een meisje komen zou waar ik hem aan kon laten lezen.
Minne maakt dingen mee voor mij. Ik mag ondertussen onder de dekens blijven liggen met de mappen in mijn hoofd. Van alles wat zij beleeft, schrijft ze een dossier, labelt het en geeft dat vervolgens aan mij. Ik stop het in de kast. Op alfabet, want dat is het makkelijkst om terug te vinden voor een vreemde. Ik hoef bijna nergens meer over na te denken.
Tobias en ik drinken koffie in Rotterdam. Het is vijf over half drie en de tijd is belangrijk, omdat in de werkelijkheid alles feitelijk om tijd draait. Ik was vijf minuten te laat en hij wachtte op het terras. Niets tussen ons is onpersoonlijk. Wat ik drink of hoe ik rook, hij leest er mijn verslavingen aan af. Hoe hij een klontje suiker oplost in zijn koffie, hoe geconcentreerd hij naar het lepeltje kijkt. Ik hou niet van mannen die suiker in hun koffie drinken. Gelukkig bestelde hij geen koffie verkeerd.
In Rotterdam vindt alles plaats op de plek waar het gebeurt. In Utrecht verander ik plekken. Lepelenburg wordt Wilhelminapark en gesprekken die plaatsvinden op de straat voor de Bastaard, beschrijf ik als buiten bij de Poort.
Ik heb vaak geprobeerd om over Tobias te schrijven. Geen enkele naam die ik verzon, of opzocht op internetsites met jongensnamen, paste bij hem. En ik kon Minne niet zijn, want Minne en Tobias zullen nooit met elkaar kunnen praten. Tobias en ik trouwens ook niet.
Wij zijn nooit een hem en haar, maar blijven voor eeuwig de hij en ik. Ik weet nooit wat ik tegen hem zeggen moet, omdat ik zoveel verander en hij hetzelfde blijft, of omdat hij zoveel verandert en ik altijd hetzelfde blijf.
Ik kijk hem aan terwijl ik een slok koffie neem. Er druppelt wat van mijn mok af op mijn schoot en hij glimlacht. Ik probeer hem een vernietigende blik toe te werpen, maar faal jammerlijk. Ik zeg dat ik ben gestopt met mijn studie en direct daarna dat het niet waar is. ‘Dat dacht ik al’. We drinken bij Bagels&Beans omdat ik een trui in de uitverkoop paste van Daryl van Wouw en weer terughing. Hij zei dat hij in de bibliotheek was maar zijn fiets staat ergens anders. Ik denk er verder niet over na.
Op de fiets ben ik nog steeds, of misschien wel helemaal mijzelf. Ik neem bochten zonder af te remmen, omdat ik ze beter ken dan de weg naar mijn kamer in Utrecht. Ik slalom om de afgebroken witte strepen heen en buig voorover om sneller tegen de wind in te gaan. Bij de laatste bocht kijk ik niet achter me om te zien of er een auto aan komt. Die komt er immers nooit. Eenmaal ging ik de fout in en mijn vader vroeg me later waarom ik dat deed. Ik weet niet meer wat ik toen zei. Ik weet ook niet wanneer ik besloot dat niets wat ik meemaak door mij beleefd wordt. Waarom ik iemand anders verzon die spitsvondige opmerkingen maakte tegen mannen met andere namen, die naar feestjes ging waar ik zelf nooit heen had willen gaan of die niet naar tentamens ging die ik wel had willen maken. Misschien is het leven makkelijker zo. Het is ook altijd makkelijker om iemand anders zijn kamer op te ruimen. In je eigen kamer kom je foto’s van vakanties tegen, kledingstukken die je kocht van je eerste kleedgeld, cd’s die je luisterde toen je vijftien was. Vervolgens zet je de cd’s op en dans je door je kamer met een te klein rokje aan. Je kijkt in de spiegel en de uren die je besteedt aan het schoonmaken vallen in het niet bij de jaren die verstreken zijn.
Om mijn hoofd gemakkelijker te kunnen ordenen, om de gebeurtenissen en beelden beter te kunnen archiveren. Bij een ander stop je foto’s in een grote doos en schrijf je er vervolgens ‘leven’ op. Geen indelingen in jaren, in vriendschappen of schoolklassen.
Vroeger zag ik in mijn hoofd ook een grote archiefkast, zoals mijn ouders die in het kantoor hadden staan. Naast die door mijzelf verzonnen kast lagen grote stapels mappen, die ik nog moest indelen op soort, om daarna een plek te geven. Al snel had ik het idee dat ik daar jaren mee bezig zou zijn. Waar stopte ik vriendinnen van weleer, schoolfeesten, of de eerste keer dat ik dronken werd? Mijn lievelingstrui met wolken op de eerste dag van de basisschool, onze overleden hond of de verhuizing: misschien had ik wel niets van wat er ooit gebeurd was in mijn leven, een plek gegeven.
En nu is daar Minne, zoals daar eerst alle andere namen waren die ik zelf bedacht had.
Ik bedacht de naam Minne ooit als naam voor een ongeboren kind. Minne betekent Liefde, van Minne kun je minkozen maken, of beminnen, Minne rijmt op Suikerspinne. Aan Minne schreef ik ooit een brief, waarin ik al schreef dat er misschien nooit een meisje komen zou waar ik hem aan kon laten lezen.
Minne maakt dingen mee voor mij. Ik mag ondertussen onder de dekens blijven liggen met de mappen in mijn hoofd. Van alles wat zij beleeft, schrijft ze een dossier, labelt het en geeft dat vervolgens aan mij. Ik stop het in de kast. Op alfabet, want dat is het makkelijkst om terug te vinden voor een vreemde. Ik hoef bijna nergens meer over na te denken.
Link | Leave a comment | Add to Memories | Share
#2
Jun. 30th, 2008 | 03:06 am
‘Dinsdag’, zegt Minne, ‘dinsdag word ik drieëntwintig’. Al dagen maakt ze zich druk om haar verjaardag. Dit jaar niet alleen omdat ze een jaar ouder wordt en bang is om een feestje te geven en denkt dat er dan niemand komt, maar ook omdat haar verjaardag nu al de meest sombere dag van het jaar wordt genoemd. Dinsdag, die dag gaat het rookverbod in. Ook zij zal er onder lijden. Tijdens werkdagen zal ze niet meer met haar benen kunnen wiebelen vanaf een te hoge barkruk, zuigend aan een Davidoff Gold. Minne rookt niet, Minne maakt een fashion statement. ‘Sigaretten passen nu eenmaal goed bij mijn look’, zei ze eerder tegen een vaste klant, knipperend met haar ogen vanachter een lok haar en een rode muts, schuin op haar hoofd gezet. Max vond haar op Sophie Scholl lijken, een Jodin, hij vond haar mooi met die muts op. Ze zet ‘m niet meer af. Waarom Minne altijd vergeleken wordt met Joden, weet ze niet. Een vriendje zei ooit, ‘heel leuk die schoentjes, heel Anne Frank’, waarop ze zich naar hem toedraaide en zei dat hij ze ook gewoon fifties had kunnen noemen.
Een vrouw aan de bar noemt haar oud. ‘Heb je een vriend? Woon je samen?’
Minne schudt haar hoofd.
‘Je moet opschieten, je moet aan je eitjes denken.’
Het is de eerste keer dat ze gewezen wordt op haar vruchtbaarheid door een onbekende. Ze twijfelt, maar besluit te glimlachen en een biertje voor een denkbeeldige klant te tappen.
Drie jaar geleden wilde Minne de pil niet meer slikken. Ze was er te chaotisch voor, verdedigde ze zichzelf. Het was vast niet goed voor je om twee weken in één dag in te nemen. De gynaecoloog vertelde haar dat er een reden was voor haar uitblijvende ongesteldheid. Zelf zag ze het al jaren als een meevaller. ‘Zie je die rondjes daar?’, vroeg de arts. Minne keek naar het scherm aan haar linkerzijde, waarop te zien was wat de staaf tussen haar benen filmde. ‘Dat noemen we kralen en die kralen, die wijzen op een syndroom. Een syndroom dat het kinderen krijgen zal vergemoeilijken, misschien zelfs onmogelijk zal maken. Vooral na je vijfentwintigste zal je hormonen moeten slikken, wil je nog zwanger geraken.’ Die nacht neukte Minne, met het zojuist geplaatste spiraaltje waarvan de ironie dat het een zwangerschap voorkomen zou, haar nog niet duidelijk was, een one night stand van weleer. Omdat het kon, omdat ze samen op de bank een slechte film met Paris Hilton daarin keken en de jongen in kwestie het spiraaltje zover wegstootte dat ze niet bang hoefde te zijn dat haar vriendje er iets van voelen zou. De volgende dag nam ze de trein naar huis, douchte in vijf minuten tijd en fietste naar haar liefde in zijn capuchontrui.
Nog twee jaar. Nog twee jaar om te baren, om zwanger te raken, om godverdomme eens iemand te ontmoeten naast wie ze het al niet vervelend zou vinden om wakker te worden. Nick was de jongen aan wie ze nu dacht wanneer ze wakker werd. Met wie ze ooit de lakens had gedeeld, hoewel hij ze altijd naar zich toe trok en Minne dan naakt achterbleef op de verkeerde kant van het bed. Die ooit zijn armen wel om haar heensloeg, maar waar ze nooit in wakker werd. Bij wie ze in de spiegel ontdekte, als hij zich naar de douche haastte ‘omdat sommige mensen gewoon moeten werken’, dat het ooglid van haar linkeroog lager hangt dan de ander wanneer ze wakker wordt. Even raakte ze in paniek, want ze had geen eyeliner in haar onzorgvuldig ingepakte tas en wilde niet dat hij haar zo zag. Ze dook terug onder de dekens en kleedde zich aan met een zonnebril op. Hij zei er niets van. Naast het bed, op het nachtkastje, stonden lege glazen waarin de avond daarvoor nog goedkope champagne was geschonken en hij weet haar onzichtbare ogen achter glas vast aan de onlosmakelijke kater die altijd volgt op goedkope drank. Al na twee maanden had hij er genoeg van. Minne weet het aan haar hangende ooglid, zijn kutkarakter of misschien wel het feit dat hij nooit begreep waar ze aan dacht of het over had.
‘Reageer jij niet meer op mijn smsjes?’
Ze wilde doorlopen en knikte in het voorbijgaan naar links, waar ze hem zag staan, maar hij grijpt naar haar arm. De eeuwige drie zoenen, in het luchtledige uitgewisseld, omdat ze zoveel mogelijk lichamelijk contact vermijden wil als ze niet alles van hem krijgt.
‘Wat had ik daar op moeten antwoorden’, ze kijkt hem aan. ‘Is het wat?’, hij wijst naar de band op het podium en zegt dat hij er pas net is. Dat is een leugen, want een half uur geleden zag ze hem en hij haar ook, zonder te weten dat ook zij hem zag.
‘Ik vind het leuk en of het goed is weet ik niet. Ik ga niet meer de discussie met jou aan, dat is vermoeiend.’ Minne probeert zich los te maken van de blik die Nick haar toewerpt, maar faalt jammerlijk. ‘Omdat ik altijd gelijk heb?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Omdat ik altijd denk dat ik gelijk heb?’, ze antwoordt dat het meer die kant op neigt. ‘Ik vind het wel goed’, zegt hij en ze vertelt hem, met haar ogen op haar doel gericht - zo ver mogelijk hier vandaan - dat hij nu echt al zijn geloofwaardigheid verloren is. In haar rug voelt ze zijn ogen branden, want hij had immers niet het laatste woord.
Een vrouw aan de bar noemt haar oud. ‘Heb je een vriend? Woon je samen?’
Minne schudt haar hoofd.
‘Je moet opschieten, je moet aan je eitjes denken.’
Het is de eerste keer dat ze gewezen wordt op haar vruchtbaarheid door een onbekende. Ze twijfelt, maar besluit te glimlachen en een biertje voor een denkbeeldige klant te tappen.
Drie jaar geleden wilde Minne de pil niet meer slikken. Ze was er te chaotisch voor, verdedigde ze zichzelf. Het was vast niet goed voor je om twee weken in één dag in te nemen. De gynaecoloog vertelde haar dat er een reden was voor haar uitblijvende ongesteldheid. Zelf zag ze het al jaren als een meevaller. ‘Zie je die rondjes daar?’, vroeg de arts. Minne keek naar het scherm aan haar linkerzijde, waarop te zien was wat de staaf tussen haar benen filmde. ‘Dat noemen we kralen en die kralen, die wijzen op een syndroom. Een syndroom dat het kinderen krijgen zal vergemoeilijken, misschien zelfs onmogelijk zal maken. Vooral na je vijfentwintigste zal je hormonen moeten slikken, wil je nog zwanger geraken.’ Die nacht neukte Minne, met het zojuist geplaatste spiraaltje waarvan de ironie dat het een zwangerschap voorkomen zou, haar nog niet duidelijk was, een one night stand van weleer. Omdat het kon, omdat ze samen op de bank een slechte film met Paris Hilton daarin keken en de jongen in kwestie het spiraaltje zover wegstootte dat ze niet bang hoefde te zijn dat haar vriendje er iets van voelen zou. De volgende dag nam ze de trein naar huis, douchte in vijf minuten tijd en fietste naar haar liefde in zijn capuchontrui.
Nog twee jaar. Nog twee jaar om te baren, om zwanger te raken, om godverdomme eens iemand te ontmoeten naast wie ze het al niet vervelend zou vinden om wakker te worden. Nick was de jongen aan wie ze nu dacht wanneer ze wakker werd. Met wie ze ooit de lakens had gedeeld, hoewel hij ze altijd naar zich toe trok en Minne dan naakt achterbleef op de verkeerde kant van het bed. Die ooit zijn armen wel om haar heensloeg, maar waar ze nooit in wakker werd. Bij wie ze in de spiegel ontdekte, als hij zich naar de douche haastte ‘omdat sommige mensen gewoon moeten werken’, dat het ooglid van haar linkeroog lager hangt dan de ander wanneer ze wakker wordt. Even raakte ze in paniek, want ze had geen eyeliner in haar onzorgvuldig ingepakte tas en wilde niet dat hij haar zo zag. Ze dook terug onder de dekens en kleedde zich aan met een zonnebril op. Hij zei er niets van. Naast het bed, op het nachtkastje, stonden lege glazen waarin de avond daarvoor nog goedkope champagne was geschonken en hij weet haar onzichtbare ogen achter glas vast aan de onlosmakelijke kater die altijd volgt op goedkope drank. Al na twee maanden had hij er genoeg van. Minne weet het aan haar hangende ooglid, zijn kutkarakter of misschien wel het feit dat hij nooit begreep waar ze aan dacht of het over had.
‘Reageer jij niet meer op mijn smsjes?’
Ze wilde doorlopen en knikte in het voorbijgaan naar links, waar ze hem zag staan, maar hij grijpt naar haar arm. De eeuwige drie zoenen, in het luchtledige uitgewisseld, omdat ze zoveel mogelijk lichamelijk contact vermijden wil als ze niet alles van hem krijgt.
‘Wat had ik daar op moeten antwoorden’, ze kijkt hem aan. ‘Is het wat?’, hij wijst naar de band op het podium en zegt dat hij er pas net is. Dat is een leugen, want een half uur geleden zag ze hem en hij haar ook, zonder te weten dat ook zij hem zag.
‘Ik vind het leuk en of het goed is weet ik niet. Ik ga niet meer de discussie met jou aan, dat is vermoeiend.’ Minne probeert zich los te maken van de blik die Nick haar toewerpt, maar faalt jammerlijk. ‘Omdat ik altijd gelijk heb?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Omdat ik altijd denk dat ik gelijk heb?’, ze antwoordt dat het meer die kant op neigt. ‘Ik vind het wel goed’, zegt hij en ze vertelt hem, met haar ogen op haar doel gericht - zo ver mogelijk hier vandaan - dat hij nu echt al zijn geloofwaardigheid verloren is. In haar rug voelt ze zijn ogen branden, want hij had immers niet het laatste woord.